
Na meer dan honderd interviews en bezoeken aan dertig archieven blikt Bas
Sleeuwenhoek terug op Het Schrale Eind, een rondreis langs
|
|
|
| Waarom heb je een boek geschreven over de Zuiderzeekust en de Afsluitdijk? De fascinatie begon eind jaren negentig toen ik langs de kust van Gaasterland liep en een verhaal schreef over het kruiende ijs. Het zat ‘m in de combinatie van oprukkende ijsblokken en een authentiek landschap, in een soort nostalgische woestheid. Ik zocht daar de mensen bij, en dan kom je automatisch terecht bij oude vissers. Daar ergens begon het boek. Ik denk bij Age Visser uit Warns. Dat is een van de eerste vissers die ik heb geïnterviewd, al heb ik maar één zin uit het gesprek gebruikt. |
||
Wat?
Dat vissers vroeger naar brandnetels keken. Als die aan één kant kapot vroren, dan kleurden de bladeren donker en kon je zien uit welke richting de vorst kwam. Die kennis werd toegepast bij het vissen. Het is maar een klein dingetje natuurlijk, maar het gaat om details. Na dat gesprek vroeg ik aan meer oude kustbewoners of ze iets bijzonders wisten over het weer. Beetje bij beetje is zo een verhaal ontstaan over weerprofeten.
Wat is de essentie van Het Schrale Eind?
Het is een boek over mensen die hun hele leven op één plek hebben gewoond. Die van generatie op generatie een enorm sterke band hebben gekregen met land en water. Dan komt in 1932 de Afsluitdijk. De Zuiderzee verdwijnt. Zout wordt zoet, de haring en ansjovis sterven uit en het leven neemt een wending. Heel wat vissers worden brugwachter, dijkwerker of arbeider en visserskinderen trekken naar de fabrieken. Anderen gaan stug door op het IJsselmeer en krijgen daar te maken met halfdood water.
Geef eens een voorbeeld van iemand die zich moest aanpassen.
Leeuwke Zandstra uit Lemmer. Oude Leeuwke, noemden ze hem. Hij begon als
Zuiderzeevisser in een houten bootje en eindigde als kantonnier op de dijk
tussen Lemmer en Urk. Dat is echt een ploert van een dijk. Nou, Leeuwke liep er
ron
d als een kapitein op een schip. Ontzettend trots, omdat hij vanaf het begin
alles had meegemaakt. Hij zag de Noordoostpolder droogvallen, vond in de oorlog
dode piloten van de luchtslagen en hielp heel wat gestrande schippers aan land.
Als ik een roman moest verzinnen over een man en zijn dijk, dan zou Oude Leeuwke
de hoofdrol spelen.
Opvallend is dat de bevolking rond de Zuiderzee zich niet heeft verzet tegen de Afsluitdijk.
Mensen hadden zoiets van: de vooruitgang stop je niet, net zomin als de motor of de radio. Als je bijvoorbeeld de verslagen van vissersverenigingen uit 1920 leest, dan zijn de vissers voornamelijk bezig met een goede steunregeling. En vergeet niet: de dijk werd aangelegd in de crisistijd. De Zuiderzeewerken boden in die zin nieuwe bestaansmogelijkheden. Overal waar dijken verschenen, hielpen de vissers mee. Dat is zo voor de dijk Lemmer-Urk, dat is zo voor de Amstelmeerdijk bij Wieringen en dat is zo voor de Afsluitdijk. Je kunt gerust stellen dat honderden vissers het einde van de Zuiderzee hebben bespoedigd.
In je boek schrijf je dat Lely de hoogte van de Afsluitdijk aanvankelijk verkeerd heeft ingeschat.
Ja, op gemiddeld 5,40 meter boven NAP. Dat is bijna 2 meter lager dan de Afsluitdijk van 1932. Maar bij de dijk van Lely praat je wel over een plan dat aan het einde van de 19de eeuw is bedacht. Waterloopkundig onderzoek met schaalmodellen bestond nog niet. Ingenieurs wisten niet goed wat er op de Wadden zou gebeuren als de Afsluitdijk werd aangelegd. De staatscommissie Lorentz is daar pas veel later achter gekomen: bij stormvloed zou het water flink stijgen. De Waddendijken moesten op de meeste plaatsen dan ook aanzienlijk worden verhoogd.
Dan is het achteraf bekeken maar goed dat de Afsluitdijk niet rond 1900 is aangelegd?
De middelen waren toen beperkt, ja. Er bestonden nog geen drijvende kranen en keileemtransporteurs, geen machines om in open zee een dijk aan te leggen. De arbeiders hadden vanaf de wal moeten werken. Keileem werd pas in 1920 ontdekt als bouwstof, dus het zou een dijk zijn geworden van klei en zand. Vermoedelijk te zwak en te laag om de Zuiderzee te keren.
In je boek schrijf je dat de Afsluitdijk mede is aangelegd om de reputatie van Nederland op te vijzelen.
Dat had vooral te maken met de Eerste Wereldoorlog. Nederland was neutraal, zat klem tussen oorlogvoerende naties. Als er Nederlandse aardappels naar Duitsland werden uitgevoerd, dan eiste Engeland een deel op, anders werd het opgevat als steun aan de vijand. Heel wat Nederlandse politici ervoeren die tijd als vernederend. Men voelde ook een stuk minachting, omdat we niet op het slagveld stonden. De Zuiderzeewerken boden een goede gelegenheid om het buitenland te imponeren, om iets van onze status te herwinnen.
Is dat ook gelukt?
Zeker. Eind jaren twintig zagen vele buitenlandse prominenten de aanleg van de Afsluitdijk. In de jaren twintig en dertig stonden er uitgebreide artikelen in het National Geographic Magazine. En vergeet de Olympische Spelen van 1928 niet. Honderden journalisten waren toen in ons land en die kregen de Zuiderzeewerken ook te zien. Er was een druk bootjesverkeer, hoor, rond de Afsluitdijk. Er werd met bewondering over gesproken en geschreven.
Wat zal je het meest bijblijven van Het Schrale Eind?
Bijzondere ontmoetingen. Marinus en zijn spook Putifar bij Blaricum of de gebroeders Lok die ik bij Vollenhove tegenkwam; twee boeren die als jongetjes op de drooggevallen Zuiderzee liepen. Maar ik herinner me vooral het pikkedonker van een huisje in Warns, waar ik met visser Wietze Boersma een vergeelde kaart van de Zuiderzee bekeek. Avonden zaten we daar, kennis op te diepen. Het waren hele mooie, geestdriftige gesprekken.
Wat hoop je met Het Schrale Eind te bereiken?
Ik hoop dat er van al die boeken over honderd jaar één overblijft. Ergens bij
een antiquariaat. Iemand vindt dat boek, leest het, en dan komen die personages
weer tot leven.
M.V.